Hans Kuijs Beeldend Kunstenaar

curriculum vitae

 

statement

 

links

 

contact

 
 

 

 

citaat uit: Hans Kuijs - Van uit Hart en Ziel  2008      

 

Museum Kempenland, Eindhoven, 5 april t/m 8 juni 2008


Ik ben theoloog en vanuit die hoedanigheid zal ik enige reflecties geven over en bij het werk van Hans Kuijs. Het zal u dan ook niet verwonderen dat religie en kerk een rol spelen in mijn bijdrage, die overigens enkel tot stand kon komen mede dankzij publicaties van de hand van Theo Salemink, kerkhistoricus aan de Universiteit van Utrecht en Chris Doude van Troostwijk, directeur van Zinweb. 


Als ik na een atelier bezoek in Leveroy naar huis reed, schuurde het bij de gedachte aan wat ik gezien had in het atelier. Want, laten we daar maar meteen mee beginnen. Het werk van Hans hang je maar bij uitzondering boven de bank omdat het zo mooi is, omdat het zo goed bij je interieur past of omdat je je bezoek een ontspannend en ‘smooth’ avondje wil bezorgen. Daar is het werk niet naar, daar is Hans niet naar. Het gaat altijd ergens over.


Daar zit overigens –laat ik de koe dan ook maar meteen doortastend bij de horens vatten!- ook wel een belangrijk probleem voor mij. Wat valt er te zeggen over het werk: het is een ‘mer a boire’; zo omnipotent, veelzeggend en veelomvattend dat het bijna ondoenlijk is er greep op te krijgen. 


Ik heb dus voor een wat andere invalshoek gekozen.


Ik weet niet of u bekend bent met het werk van de Belg Albert Servaes. Albert Servaes –hij stierf in 1966- maakte, tekende, kort na de Eerste Wereldoorlog, in 1919, een kruisweg in een sterk expressionistische stijl. Jezus wordt er afgebeeld als een uitgemergeld mens. Servaes verwees daarmee naar de slachtoffers van de loopgravenoorlog. In 1920 kwam er een boekje met lijdensmeditaties van de hand van Cyriel Verschaeve uit met expressionistische lijdenstekeningen van opnieuw Albert Servaes. Het boekje –want Franstalig- trok de aandacht van het Hl. Officie in Rome en in 1921 volgde een veroordeling van het boekje, m.n. op grond van de afbeeldingen. Het had ook consequenties voor de kruisweg die ondertussen in een kerkje in Luithagen, onder de rook van Antwerpen, hing. De kruisweg werd verwijderd en ging zogezegd op reis. In 1952 is die terug te vinden in het klooster van de cisterciënzers in Tilburg (O.L.V. van Koningshoeve). Maar dan enkel nog te bekijken door kloosterlingen, hij hangt dan namelijk in de kloostergang en niet in de kerk aldaar. Pasen 1952 brengt internuntius Giobe een bezoek aan de abdij en ziet de kruisweg hangen. Enkele maanden later ontvangt de abt een schrijven vanuit Rome met opnieuw een veroordeling van de kruisweg en een verbod er reproducties van te maken. En natuurlijk kan zo’n kruisweg niet zomaar in een klooster hangen. Overigens heeft men de kruisweg toen niet opgeborgen, maar in losse panelen verspreid over verschillende vertrekken van het klooster, zodat het niet langer als een samenhangende kruisweg kon functioneren.


Waarom begin ik met dit verhaal over Albert Servaes? Albert Servaes was een avant-gardist. In deze korte geschiedenis wordt iets duidelijk over hoe er vanuit de burgerlijke samenleving in die tijd naar kunst, naar avant-gardistische kunst gekeken werd. Daarmee voer ik stilzwijgend de katholieke kerk in die tijd op als representant van de burgerlijke samenleving.

De avant-gardistische kunst, de avant-garde, in die dagen –aan het begin van de 20e eeuw- was ervan overtuigd dat de kerk, de conventionele religies niet meer in staat waren het ‘Heilige’ op te roepen of te representeren en de kunst deze taak moest overnemen. Kubisme, dadaïsme, futurisme, surrealisme, Duchamp, Picasso, Braque, Magritte, Miro, Chagall zijn de wat bekendere stromingen en namen daarin. De reactie van de kerk daarop was afwijzend. Deze kunst was geen representatie, geen visualisering van de traditionele leer over incarnatie, lijden, sterven en verlossing, maar zelfverwerkelijking van kunstenaars die de ervaring van het ‘Niets’ op allerlei wijzen wilden ontlopen.

De omslag in de kerk komt in de jaren 60/70, en avant-gardistische kunst wordt langzaam maar zeker gezien als een object van en voor diepe meditatie. Er wordt gesproken over ‘het oer-religieuze karakter van een kunst die tracht door te dringen tot de essentie der krachten, die achter de wereld der zichtbare dingen aanwezig is’, en over ‘de verbindingslijn tussen hemel en aarde, tussen het zichtbare en het onzichtbare, het begrijpbare en de genade. Kunst valt of staat met de mate waarin zij iets openbaart van het Grote Geheim, dat God is.’  Die lijn van de avant-garde lijkt overigens haar eind te vinden in de grote Joseph Beuijs die zo’n twintig jaar geleden stierf.


Waarom heb ik het dan toch nog over die avant-garde? Ik zei dat het ‘lijkt’ of deze beweging een eind heeft gevonden. Want naar mijn idee zien we in het werk dat hier hangt het werk van een avant-gardist avant-la-lettre. Wanneer je het concept, de denkbeelden van Joseph Beuijs kent, beoordeel je zijn werk als kunst of niet. Je legt het naast je neer, of het raakt je en je komt er niet meer vanaf. Dat geldt ook voor het werk van Hans Kuijs. En je komt er dan niet meer vanaf omdat je het gevoel hebt dat hier ergens iets heiligs, het Heilige geraakt wordt of boven komt. Ik heb dat met het werk van Hans. Zijn beeldtaal, dikwijls religieus geënt, is tegendraads in zijn opbouw, ontwapenend in zijn zachtheid, confronterend in zijn directheid, soms shockerend in zijn rauwheid. Tegendraads, ontwapenend, confronterend, shockerend omdat het raakt aan wat mij dierbaar, wat van mij is. Wat mij, wat ons dierbaar is, wordt in een setting gezet, geïnterpreteerd in een perspectief gezet waarin we het nog niet gezien of verstaan of begrepen hebben. En waarvan we slechts na lange tijd (na ‘diepe meditatie’) pas een besef, gevoel krijgen van een verband. En dan, pas vanaf dat moment, kan het facet van het ‘Heilige’ haar intrede doen.


De kerk accepteert vanaf pakweg eind jaren zestig de avant-gardistische kunst weliswaar als een wijze waarop het heilige verbeeld kan worden -Aad de Haas werd in ere hersteld, de kapel van Le Corbusier in Romchamps kreeg waardering en schilders als Chagall en Leger en toch ook, zij het in mindere mate, Malevich en Matisse krijgen kerkelijke bijval-, dat betekent nog niet dat jouw werk vandaag of morgen hier in de kerk om de hoek zal hangen. Dat is weggelegd voor kunstenaars als Judith Krebbekx of Judy van Vliet. Zij roepen met hun dikwijls kerkelijke beeldtaal en kleurzetting een soort nostalgische emotie op die goed lijkt te passen bij een christelijke, bij een katholieke kerk die, historisch en cultureel gezien, even pas op de plaats wil maken.


Je bent geen kerkelijke kunstenaar: je bent te surrealistisch, teveel ook symbolist, daarin ligt ook je kracht!


De grote voeten, de doorgangen en deuren, de scheepjes, dieren -van vogels en vissen tot honden en hazen-, de penis en vagina, Boeddha, Christus, het water en vooral ook de ogen: allemaal symbolen, sterker nog, religieuze verwijzingen naar een werkelijkheid die we wellicht bevroeden, maar een werkelijkheid ook die door de setting waarin je de symbolen plaatst, enkel mysterieuzer en mystieker wordt. Of, zoals je me een paar weken geleden schreef: ‘Bestaat er Iets of bestaat er Niets. Hoe abstract en ongrijpbaar is het bestaan.’ En wat verderop schrijf je dan ‘Maar wat betekent het werkelijk?’

Inderdaad Hans, hoe moeten we ons leven verstaan met al zijn pijn en verlangens met haar basisbehoeften en bevredigingen, met zijn momenten van gelukzaligheid en eenzaamheid, met zijn rijkdom en armoede, zijn tegenstrijdigheden en onverklaarbaarheden. ‘Bestaat er Iets of bestaat er Niets. Hoe abstract en ongrijpbaar is het bestaan.’


In de loop van de tijd is het christelijke geloof een nogal polygame minnaar gebleken. Om zich voort te planten heeft deze minnaar het eeuwenlang aangelegd met filosofie. Uit hun samenzijn werd de theologie geboren. Gekleed als dogmatiek, metafysica en allerlei vormen van wereldbeschouwing bepaalde deze theologie aanvankelijk de wereldgeschiedenis. En zelfs haar moeder, de filosofie, speelde lange tijd een ondergeschikte rol. Maar in de middeleeuwen en de Verlichting kreeg moeder filosofie genoeg van haar theoloog –zijn naam leek een voorteken- en ze gooide hem het huis uit: zij ging zelf verder als wetenschap en kritische filosofie. De minnaar geloof stond weer alleen. Gelukkig vond hij in de praktische rede van Kant een nieuwe geliefde. Er werd en nieuw kind geboren: theopraxie. Het geloof als leidraad voor het concrete handelen. Maar al snel bleek dat geloof en God daar weliswaar een rol in konden spelen, maar uiteindelijk waren ze niet noodzakelijk.

En nu, voor de derde keer in de geschiedenis heeft ‘geloof’ weer iemand gevonden om mee te vrijen: de kunst. Er zijn er zelfs die denken dat ze ook al weten hoe hun kind zal heten: theopathie.


Theopathie is zogezegd esthetische theologie, theologie die zich laat leiden door de ontmoeting tussen geloof en kunst. Nu zijn niet het hoofd, zoals in de theologie, of de handen, het handelen, zoals in de theopraxie, maar de zintuigen, het hart, de plaats waar werkelijkheid en geloof elkaar ontmoeten. Vandaar ook theopathie van pathos.


Het wordt nu wat ingewikkelder maar misschien ook eenvoudiger. Want ik wil u vragen uw uitnodiging bij de hand te nemen en met mij eerst maar eens helder proberen te krijgen wat theopathie níet is.

Om te beginnen is theopathie niet alleen maar een kunstwerk beschouwen als een spiritueel voertuig. Spirituele reductie is wanneer we bijv. afbeelding 23 zouden uitleggen als het leven is een permanente ‘big boom’, elk levensmoment moet je zien als het ontstaan van nieuw leven (conceptie–zaadcel-eicel), van nieuwe mogelijkheden tot leven. Leven heeft een ziel! Als je dat kunt zien dan zul je ervaren hoeveel kleur het leven elke keer opnieuw weer heeft en geeft! De kunstenaar wil ons laten zien hoe waardevol het leven is!  

Theopathie is ook niet een kunstwerk louter beschouwen als een hermeneutisch voertuig, waarin de vormen gezien worden als symbolen en die symbolen vertaald worden in ons bekende betekenissen. Zie bijv. afbeelding 12. U ziet hier een kruis, een doorgang, een venster en nog enige afbeeldingen. Hermeneutische reductie is wanneer we deze tekening bijv. zouden uitleggen als het kruis staat voor het christendom; het venster geeft licht, geeft zicht en wanneer je het openzet lucht; de doorgang verwijst naar een leven achter dit leven. De kunstenaar heeft dus willen zeggen dat het christendom de vensters moet openzetten, licht en lucht binnenlaten –zich aanpassen aan de tijd-, en vanaf dat moment kan het ook een doorgang vormen voor mensen die een betere wereld willen.

Theopathie is ook niet enkel een middel om persoonlijke gevoelens los te maken. Enkel wat ik zelf voel en meemaak bij het kunstwerk is relevant. Dat past weliswaar goed in onze tijd van individualisme, maar het ontdoet ons ook van al onze feitelijke gebondenheid. Kijken we naar afbeelding 19. Deze vis met zijn dikke kussende lippen, de bolle vorm, de vis op zichzelf, verwijzend naar vruchtbaarheid en liefde, de rode kleur waarin hij is gedrenkt, Freud’s interpretatie van de vis als een penis: het zijn duidelijke verwijzingen naar erotiek en ik vind het ook niet van belang wat de schilder ermee heeft willen zeggen! Dat is sentimentele reductie.


Zoals gezegd: theopathie is geen spirituele, geen hermeneutische, noch sentimentele reductie. Maar ze spelen wel allemaal een rol bij theopathie, omdat wij ons niet los kunnen maken van ons hier en nu. We kunnen niet met andere ogen dan onze eigen ogen naar de wereld om ons heen kijken! We nemen altijd onze eigen spiritualiteit, onze eigen gevoelens, onze eigen interpretatiekaders mee wanneer we naar de wereld -en dus ook kunst- kijken. Theopathie gaat echter over hoe we die hanteren. Theopathie gaat ervan uit dat er, vanaf het moment dat ik naar een kunstwerk kijk er een ruimte, een relatie tussen het kunstwerk en mij ontstaat waarin het kunstwerk met mij ‘in gesprek’ gaat. Daarbij richt het zich op zowel mijn intellectuele en emotionele vermogens alsook mijn zintuigen. In die ruimte, in die relatie stelt het vragen aan mij. Vragen als: ‘wat zie je in mij, wat verbeeld ik voor je, wat be-teken ik voor jou?’ Bijv. afb. 1: ‘Wie staat er achter mij, door wie of wat word ik omgeven of, wie laat zijn sporen in mij achter?’ Bij afbeelding 17: ‘Tot wie ga ik als ik geraakt ben, wie staat er voor mij op een sokkel, wie aanbid ik, wat wordt er in onze samenleving aanbeden?’ Bij afb. 22: ‘Welke rol speelt vrouwelijkheid in mijn leven, en hoe geef ik die vorm? Ben ik een moeder, ben ik een minnares die tegen de verdrukking in opbloeit?’ Bij afb. 2: ‘Waarom zie je mij getralied? Wat is jouw gevangenis, wanneer zet jij mensen gevangen?’ Bij afb. 16: ‘op welke wijze weet jij anderen te raken, of door wie of wat wordt jij geraakt?’

Maar, dames en heren, het gesprek in deze tussenruimte is niet enkel een gesprek dat in woorden gevoerd kan of zal worden. U zult zelf -zeker bij het werk van Hans- ook geregeld de ervaring hebben dat je sprakeloos bent, dat het werk zo’n kracht heeft dat het enkel emoties of verwarring of wat dan ook oproept. Ook dat hoort bij de theopathie: een kunstwerk is ook altijd niet helemaal te vatten, er blijft ook altijd een mystiek moment... Het is een wezenlijk moment in de theopathie! 


Je bent geen kerkelijk kunstenaar. Er valt wellicht te discussiëren over de vraag of je een religieus kunstenaar bent. Niet omdat je veel religieuze symboliek gebruikt, maar omdat jouw kunst op een bepaalde wijze verbindt. De oorspronkelijke betekenis van religie is ‘verbinden’ - van het latijnse ‘religare’. Volgens mij ben je echter zonder twijfel een theopathisch kunstenaar. Jouw kunst dwingt, dringt mij een werkelijkheid op die ik niet helemaal kan bevatten omdat ze mijn bestaan en werkelijkheid overstijgt. Ook al probeer ik wat je verbeeldt op een intellectuele en emotionele wijze te doorgronden -en kom ik zelfs fragmenten van wat me heilig is, van het heilige op het spoor door vragen te stellen zoals ik zojuist deed-, uiteindelijk zet je me naast de werkelijkheid, laat je me mijn eigen beperkte blik ervaren. Dwing je me mijn vooroordelen, mijn verwachtingen, mijn vooringenomen gevoelens los te laten. Hét Heilige, -dat wat me angst inboezemt en tegelijkertijd fascineert-, kan ik dan waarnemen en ervaren, maar uiteindelijk níet bevatten. Je werk neemt dan zogezegd het roer over. 

In die zin pas je wat mij betreft dan ook rechtstreeks in de lijn van de avant-gardisten zoals we die in de 20e eeuw kenden.


‘Bestaat er Iets of bestaat er Niets. Hoe abstract en ongrijpbaar is het bestaan.’


Hans, zonder het van zijn mysterie te ontdoen, toon je mij iets van het Heilige!

-en ik eindig abrupt- daar dank ik je voor!


Drs.Philippe Cremers, theoloog  Wittem, 18 april  2008. ©